Verhalen uit de losse pols.

 

Marlies van Boven. Ik kreeg bij geboorte de roepnaam Marlies en een rits doopnamen waar Antonia de laatste van is. Vermijd clichés voor een schrijver gonst het door mijn hoofd. Ik doe er toch eentje. Komt ie. Ik heb mijn hele leven geschreven. Echt? Ja. Doe ik nog een cliché, en dan stop ik daarmee. Ik heb nog meer boeken gelezen. Elke cent van mij zakgeld ging naar boeken. Van de Dolle Tweeling, Polly Parker naar Zomerzotheid van Cissy van Marxveldt. Later kwam Marjan Berk, Yvonne Keuls en ook Gerard Reve, Hugo Claus. Las boeken twee keer, soms drie keer. Ik spaarde boeken. 

En nog steeds.

Schrijven kreeg vaart met de schoolkrant, die bij mij begon en ook eindigde op de laatste schooldag. Ik schreef de verhalen. Elke krant gaf ik in de rubriek de pen van de beurt door aan iemand anders, maar schreef ook dat verhaal zelf, ik was de redactie, stond aan het stencilapparaat, uit die oudheid stam ik, en was ook de distributeur van de krant door de hele school. Nu begrijp ik ook waarom het met studeren niet zo wilde vlotten. Had domweg geen tijd. 

Mijn vader voedde mij op met de gevleugelde woorden uit eind jaren 80: een slimme meid is op haar toekomst voorbereid. 'Eerst een vak leren, Marie, zodat je voor jezelf kunt zorgen,' vertaalde hij de slagzin in zijn eigen woorden. Mijn vader had het begrepen. Alleen daar liepen onze verwachtingen over mijn toekomst als de paus en Club 17. Ik kan even geen betere metafoor bedenken. In zijn wereld van acht tot vijf was schrijven geen vak. Ik moest in de debiteuren en crediteuren, balansen schrijven, activa en passiva, twee gelijke bedragen onder de streep. Noem het boekhouden. Dan kun je altijd bij de Boerenleenbank (red. Rabobank) werken, een zekerheid, want banken gaan niet failliet. In mijn wereld gaan banken wél failliet, pap. Vergeef me, iedereen die met veel plezier bij een bank werkt, gelukkig is het voor mij nooit zover gekomen. De journalist, want na mijn vakopleiding mocht ik worden wie ik wilde zijn, ben ik niet geworden. Maar het schrijven is altijd gebleven. 

Onderweg in mijn leven leerde ik Annemarie van Gaal (ondernemer, investeerder, auteur) kennen, in haar kledingboetiek in de P.C. Hooftstraat in Amsterdam. Toen ik bij het vertrek uit mijn huwelijk de huissleutels en de Goldcard op de keukentafel achterliet, en daarmee ook de nieuwe kledingcollectie van Céline, begon ik Annemarie mails te schrijven over mijn nieuw verworven status als single. Annemarie ontdekte het schrijftalent dat ik kennelijk heb. Wist ik veel. Uiteindelijk schreef ik zes artikelen voor AM Magazine waarvan zij uitgever was. 'Je moet een boek schrijven,' zei Annemarie op een keer. Dat liet nog tien jaar op zich wachten. Annemarie werd mijn schrijfmentor tijdens het schrijven van De Jurk Mag Uit. Onvermoeibaar las zij iedere nieuwe versie en voorzag die van commentaar. Inmiddels geef ik De Jurk Mag Uit zelf uit, onder mijn eigen imprint Uitgeverij van Boven.